5.

Groei en krimp per gemeente

Steeds meer gemeenten krijgen in de komende decennia te maken met een afname van het aantal inwoners. Bevolkingskrimp doet zich eerst vooral in de landelijke gebieden voor, later ook elders. De bevolkingsgroei concentreert zich in de steden.

Groei en krimp per gemeente

Demografische ontwikkelingen staan volop in de belangstelling. De thematiek rond groei en krimp, maar bijvoorbeeld ook de effecten van de veranderende leeftijds- en huishoudenssamenstelling van de bevolking zijn actuele onderwerpen.1 En niet alleen in de (erkende) krimp- en anticipeerregio’s2 – tot de laatste categorie waartoe ook West-Brabant wordt gerekend – ook elders is er steeds meer aandacht voor de gevolgen van de ‘demografische transitie’.

Steeds meer gemeenten krijgen te maken met bevolkingskrimp

Ook in Noord-Brabant zal de komende decennia de bevolkingsgroei afnemen en zullen steeds meer gemeenten te maken krijgen met een afname van hun bevolking. Het moment waarop en de mate waarin bevolkingskrimp zich gaat voordoen is afhankelijk van de ontwikkelingen van de natuurlijke aanwas (of afname) en de binnen- en buitenlandse migratiesaldi. De afgelopen jaren heeft een aantal Brabantse gemeenten (al) te maken gehad met bevolkingskrimp (kaart 5a). Bijna een kwart van de gemeenten zag het inwonertal (iets) teruglopen. Bij deze meer incidentele krimp, waarbij het gemeentelijke beeld van jaar op jaar overigens sterk kan verschillen, spelen vooral gemeentespecifieke, negatieve (binnenlandse) migratieontwikkelingen een rol.

De komende tijd krijgt bevolkingskrimp echter steeds meer een structureel karakter, waarbij in veel gemeenten de natuurlijke afname van de bevolking – meer sterfte dan geboorte – de dominante factor wordt. Deze natuurlijke afname en daarmee ook krimp ligt besloten in de leeftijdsopbouw van de bevolking. Tegenover een vrij stabiel aantal geboorten komt als gevolg van de vergrijzing – en ondanks de verwachte toename van de levensverwachting – een sterk toenemende sterfte te staan, omdat de omvangrijke (babyboom)generaties uit de eerste twee decennia van na de Tweede Wereldoorlog komen te overlijden. De voorziene positieve binnen- en buitenlandse migratiesaldi zullen deze natuurlijke bevolkingsdaling op termijn niet meer kunnen compenseren, met als gevolg dat de groei van de Brabantse bevolking verder zal afnemen en het inwonertal rond 2040 (licht) zal gaan krimpen.

Figuur 5.1, 5.1a en 5.1b

Verdeling van het aantal gemeenten naar groei of krimp van de bevolking

2010-2050

  • 1. Jooske Baris en Thomas Hessels (2014). <i>Kennisagenda 2014. Kennisplatform Demografische Transitie.</i> Platform 31 / Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, april 2014.
  • 2. <i>Interbestuurlijke Voortgangsrapportage Bevolkingsdaling</i> 2012. Rijk, VNG, IPO, 2012. De krimpregio’s zijn gelegen in Zuid-Limburg, Noord- en Oost-Groningen en Zeeuws-Vlaanderen. Tot de anticipeerregio’s, die zich voorbereiden op (de gevolgen van) een bevolkingsafname in de (eerst)komende jaren behoren – naast West-Brabant – de regio’s Noordwest- en Noordoost-Friesland, Oost-Drenthe, de Kop van Noord-Holland, delen van het Groene Hart, Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten, Schouwen-Duiveland, de Hoekse Waard, Twente, de Achterhoek en Noord- en Midden-Limburg.

 

Regionale en gemeentelijke verschillen in groei en krimp

Hoewel de regionale verscheidenheid ten aanzien van bevolkingsgroei en -krimp groot is, laten de prognose-uitkomsten duidelijk zien, dat de bevolkingskrimp zich de komende decennia verder zal uitspreiden over de Brabantse gemeenten. De eerstkomende jaren kennen nog altijd veel gemeenten een bevolkingsgroei, zij het dat deze groei veelal bescheiden is en bovendien (sterk) afneemt in de tijd. In de loop van de jaren ’20 zien we het aantal gemeenten, dat te maken krijgt met bevolkingskrimp echter sterk toenemen (figuur 5.1), eerst vooral ‘aan de randen’ van de provincie en in de landelijke gebieden, later ook elders (kaart 5b t/m 5d). Verschillen in leeftijdsopbouw en de mate van vergrijzing spelen hierbij een rol, evenals (beleidsmatige) migratieontwikkelingen. Vooral op termijn, wanneer de natuurlijke groei omslaat in een natuurlijke afname, zullen de (selectief samengestelde) migratiestromen hierbij meer en meer bepalend worden voor de bevolkingsontwikkelingen.

In de laatste jaren van de prognoseperiode - 2040-2049 (kaart 5d) - is bevolkingskrimp naar verwachting in het leeuwendeel van de gemeenten aan de orde. Ruim 80% van de gemeenten kent dan een daling van het inwonertal (figuur 5.1). In eerdere perioden liggen deze percentages op bijna 20% (2014-2024) en 63% (2025-2039).

Opvallend is dat in en rond de grotere gemeenten de bevolking nog langere tijd (licht) blijft groeien, terwijl voor de kleinere ‘plattelandsgemeenten’ al eerder bevolkingskrimp in het verschiet ligt. Recente studies,3 maar bijvoorbeeld ook de jongste regionale bevolkings- en huishoudensprognose van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).4 laten eveneens dit beeld zien.

Kaart 5a t/m 5d

Gemiddeld jaarlijkse bevolkingsgroei (of krimp) in Brabantse gemeenten

2010-2050

Kaart 5a
Kaart 5b
Kaart 5c
Kaart 5d

Zie ook: gemeentenamen

  • 3. Léon Groenemeijer (2014). <em>Bevolkingsgroei in steden. Structureel en conjunctureel. ABFresearch</em>, Delft, april 2014.
  • 4. Corina Huisman e.a. (2013). <em>Regionale prognose 2013–2040. Vier grote gemeenten blijven sterke bevolkingstrekkers.</em> Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) / Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), oktober 2013

 

Demografische ontwikkelingen raken alle beleidsterreinen

De afnemende groei en vervolgens krimp van de bevolking heeft voor vrijwel alle beleidsterreinen grote gevolgen. Juist daarom ook is ‘demografie’ een onlosmakelijk onderdeel van de ‘Agenda van Brabant’.5 Hierbij zijn vooral ook de aan krimp voorafgaande (sterke) veranderingen in de leeftijds- en huishoudenssamenstelling van de bevolking van belang. Veranderingen in leeftijdsopbouw kunnen bijvoorbeeld grote gevolgen hebben voor de potentiële beroepsbevolking (effecten op de arbeidsmarkt) en de sterke toename van het aantal ouderen zal de nodige effecten op de ‘zorgmarkt’ met zich meebrengen. Voor de woningmarkt zijn naast leeftijdsspecifieke ontwikkelingen, vooral ook de huishoudensontwikkelingen relevant. Het aantal huishoudens bepaalt in grote lijnen de kwantitatieve behoefte (hoeveel woningen zijn er nodig), terwijl de huishoudenssamenstelling van invloed is op de kwalitatieve behoefte (wat is gewenste samenstelling van de woningvoorraad). Bovendien kan de demografische transitie ook sterk van invloed zijn op de gemeentelijke financiën (opbrengsten grondbedrijf en inkomsten uit lokale belastingen) en op de samenstelling en betaalbaarheid van het voorzieningenpakket (leefbaarheid). Daarnaast is van belang, dat de regionale verscheidenheid rond het thema ‘bevolking en wonen’ groot is en ook groter lijkt te worden;6 binnen Nederland, maar ook binnen Brabant. Naast gebieden met groei zullen er meer ontspannen gebieden zijn en gebieden met krimp.

Demografische ontwikkelingen en alles wat hiermee samenhangt zullen de komende tijd een grote rol spelen op de regionale agenda. Hierbij gaat het er om, de bewustwording omtrent het veranderend demografische perspectief te blijven vergroten. In lijn hiermee is het van belang in regionaal verband de effecten van de aanstaande demografische ontwikkelingen (verder) in beeld te brengen en gezamenlijk te werken aan het verkennen en ontwikkelen van regionale strategieën, gericht op het tijdig inspelen op en het begeleiden van de demografische transitie.

  • 5. <i>Agenda van Brabant. Traditie en technologie.<i> Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten van Noord-Brabant, juli 2010.
  • 6. Zie bijvoorbeeld: <i>Demografische ontwikkelingen 2010-2040. Ruimtelijke effecten en regionale diversiteit.</i> Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag, 2013.