6.

Veranderingen in leeftijdssamenstelling

Rond 2040 bereikt de vergrijzing van de Brabantse bevolking haar hoogtepunt. Dan is 28% 65 jaar of ouder, tegen 18% in 2014. De hoogste leeftijdsgroepen (75+) groeien het sterkst. Landelijke gebieden vergrijzen meer dan stedelijke gebieden.

Veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking zijn voor beleidsmakers op elk maatschappelijk terrein van belang. Wat de leeftijdssamenstelling betreft, wacht de Brabantse bevolking de komende decennia grote veranderingen (figuur 6.1). Op een groot aantal beleidsterreinen zullen de effecten hiervan merkbaar zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan onderwijs, gezondheidszorg, economie en arbeidsmarkt, maar zeker ook aan woningbouw en volkshuisvesting.

 
Figuur 6.1

Bevolking naar leeftijd

Noord-Brabant, 1980-2050

 

Brabant vergrijst, met de sterkste groei in de hoogste leeftijdsgroepen

De komende decennia groeit het aantal 65+-ers met ruim 275.000 mensen, van zo’n 445.000 in 2014 tot ongeveer 720.000 in 2040 (figuur 6.1). Dat is een groei van ruim 60%. Na 2040, als de vergrijzing over haar hoogtepunt heen is, loopt het aantal 65+-ers weer wat terug. Tegelijkertijd zullen in diezelfde periode de leeftijdsgroepen van 0-19- en van 20-64-jarigen juist in aantal afnemen. Het aantal 0-19-jarigen loopt terug met ongeveer 20.000 personen (-4%). Van de 20-64-jarigen zal het aantal tussen 2014 en 2040 verminderen met ruim 140.000 mensen (-10%). De sterke veranderingen in de leeftijdsopbouw van de Brabantse bevolking worden duidelijk geïllustreerd, wanneer de leeftijdsdiagrammen van 1980, 2010 en 2040 met elkaar worden vergeleken (figuur 6.2a t/m 6.2c)

Figuur 6.2a t/m 6.2c

De leeftijdsopbouw van de Brabantse bevolking

1980-2040

Figuur 6.2a
Figuur 6.2b
Figuur 6.2c

 

De voortgaande vergrijzing springt zonder meer het meest in het oog. Op dit moment is ongeveer 18% van de Brabantse bevolking 65 jaar of ouder. De komende decennia, wanneer de naoorlogse geboortegolf gaandeweg deze leeftijd bereikt, zal het percentage 65+-ers sterk oplopen. Hierbij speelt ook de (verder) oplopende levensverwachting een rol. Rond 2040 bereikt de vergrijzing haar hoogtepunt. Dan behoort naar verwachting bijna 28% van de bevolking tot de 65+-ers. Tussen 2040 en 2050 loopt het percentage 65+-ers heel licht terug, tot 27,5% in 2050 (figuur 6.3).

De hoogste leeftijdsgroepen groeien het sterkst. Rond 2050 zullen er ruim 440.000 75+-ers zijn, tegen 187.500 anno 2014 (+135%). Daarmee zal in 2050 62% van het totaal aantal 65+-ers ouder zijn dan 75. Hier tekent zich de ‘dubbele vergrijzing’ af: er komen gelet op de leeftijdsopbouw van vandaag de dag niet alleen meer ouderen bij, zij leven gemiddeld ook steeds langer. Het percentage 75+-ers loopt dan ook sterk op: van 7,5% in 2014 naar 17% in 2050.

 
Figuur 6.3

Percentage 65+-ers en 75+-ers

Noord-Brabant, 1980-2050

 

Stedelijke concentratiegebieden en landelijke gebieden

Vergrijzing speelt overal in Brabant. Opvallend is evenwel dat dit vergrijzingsproces zich de komende decennia in het landelijke gebied relatief sterker zal voordoen dan in het stedelijke gebied. Hierbij ontwikkelen de landelijke gebieden zich van gebieden met een verhoudingsgewijs jongere bevolking in 1980, tot gebieden met een oudere bevolking in 2040 (figuur 6.4). In de landelijke gebieden loopt het percentage 65+-ers op van ruim 8% in 1980 en 19% in 2014 tot 31% in 2050. In de stedelijke concentratiegebieden liggen deze percentages op respectievelijk 9,5% in 1980, 17,5% in 2014 en 26% in 2050.

Figuur 6.4

Percentage 65+-ers

Stedelijke concentratiegebieden en landelijke gebieden, 1980-2050

 

De verklaring voor deze verschillen moet voor een belangrijk deel gezocht worden in de selectief samengestelde binnenlandse migratiestromen, zowel die uit het verleden (suburbanisatie) als die van vandaag de dag (re-urbanisatie). Hierdoor zijn vooral de ‘oudere middengroepen’ (50-64-jarigen) momenteel relatief sterker vertegenwoordigd in de landelijke gebieden. Ook de komende jaren zorgt deze groep hier nog voor een sterke vergrijzing. In de stedelijke concentratiegebieden, die deze leeftijdsgroepen per saldo juist zagen vertrekken, groeit het aantal ouderen de eerstkomende jaren juist minder sterk. Ook speelt een rol dat de stedelijke gebieden, mede door een relatief sterkere groei van de woningvoorraad vanaf het begin van de jaren ’90 tot aan het begin van deze eeuw (forse woningbouwinspanningen), in staat zijn gebleken deze middengroepen weer meer aan zich te binden. Tegelijkertijd vertonen de landelijke gebieden al geruime tijd negatieve binnenlandse migratiesaldi. Het (autonome) vertrekoverschot van jongvolwassenen wordt hier niet langer gecompenseerd door vestigingsoverschotten in de andere leeftijdscategorieën. Ook dit draagt bij aan de relatief sterkere vergrijzing in het landelijk gebied. In de stedelijke gebieden, die deze jong-volwassenen (15-29 jarigen) per saldo juist opvangen, zorgt deze migratiestroom er juist voor dat de vergrijzing (iets) wordt getemperd.

Hogere gemiddelde leeftijd

Met de vergrijzing van de Brabantse bevolking loopt ook de gemiddelde leeftijd verder op, van 41,6 in 2014 naar 46,2 in 2050. In 1980 lag deze gemiddelde leeftijd nog op 32,7. Samenhangend met hun hogere levensverwachting ligt de gemiddelde leeftijd van vrouwen iets hoger (steeds zo’n twee jaar) vergeleken met die van mannen.

Omdat de landelijke gebieden naar verwachting sterker zullen vergrijzen ligt hier de gemiddelde leeftijd op termijn (duidelijk) boven de Brabantse lijn. In 2050 komt de gemiddelde leeftijd in het landelijke gebied uit op 48,3 (tegen 42,6 in 2014). De stedelijke concentratiegebieden vergrijzen eveneens, maar blijven met een gemiddelde leeftijd van 45,3 (is 41,1 in 2014) relatief gezien toch (beduidend) jonger. Gedurende de prognoseperiode verdubbelt hiermee het verschil in gemiddelde leeftijd tussen beide gebieden, van 1,5 jaar in 2014 naar 3 jaar in 2050.

Met de vergrijzing loopt de gemiddelde leeftijd van de Brabantse bevolking op