Prognosemodel

Voor een actueel beeld van toekomstige bevolkingsontwikkelingen, veranderingen in de leeftijds- en huishoudenssamenstelling en de hiermee samenhangende woningbehoefte wordt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose – overeenkomstig de Verordening ruimte1 – regelmatig geactualiseerd. Zo kan steeds tijdig worden ingespeeld op nieuwe trends en ontwikkelingen, die van invloed zijn op de omvang en samenstelling van de bevolking en kunnen de kwantitatieve en kwalitatieve effecten hiervan op de woningmarkt worden aangegeven.

Evenals eerdere provinciale prognoses wordt de actualisering van de bevolkings- en woningbehoefteprognose uitgevoerd met het IPB-Primos-model2. In dit prognosemodel vormen de gemeentelijke bevolking en de specifieke kenmerken van die bevolking de basis voor de vooruitberekeningen. Het model rekent met de gemeente als basiseenheid (‘bottom-up-benadering’).
Een ander belangrijk kenmerk van het IPB-Primosmodel is de sterke koppeling met toekomstige, nationale ontwikkelingen, die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwacht. Aangesloten is op de meest recente nationale bevolkings- en huishoudensprognoses van het CBS3. Zo zijn bijvoorbeeld voor de vruchtbaarheids-, sterfte- en buitenlandse migratieontwikkelingen de parameters afgeleid van de CBS-prognoses. Voor de huishoudensontwikkelingen is ook gebruik gemaakt van parameterwaarden uit het Primos-model4. Naast trendmatige ontwikkelingen zijn ook beleidsmatige aspecten in de prognose verwerkt, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de ruimtelijke verdeling van de binnen- en buitenlandse migratiesaldi. Uiteraard wordt bij dit alles, zowel voor de analyseperiode (de afgelopen jaren) als voor de prognoseperiode (2017-2050), rekening gehouden met regionale en gemeentespecifieke verschillen.

Gebruikmakend van recente kennis en inzichten wordt met de bevolkings- en woningbehoefteprognose getracht een beeld te schetsen van de meest waarschijnlijke toekomst. Prognoses zijn – vooral ook voor de lange(re) termijn – van bijzondere waarde, juist ook om belangrijke nieuwe trends en te verwachten ontwikkelingen te kunnen duiden. Hierbij gaat het meer om de richting van die ontwikkelingen dan om de precieze omvang ervan. Rond bevolkings- en woningbehoefteprognoses bestaan immers de nodige onzekerheidsmarges. Zo hangen demografische ontwikkelingen nauw samen met tal van (veranderende) maatschappelijke, sociale en economische ontwikkelingen. De onzekerheidsmarges worden groter naarmate de prognosejaren verder weg liggen in de tijd. Ook het schaalniveau speelt hierbij een belangrijke rol, waarbij geldt dat de marges groter worden bij een kleinere geografische schaal. Zo zijn de onzekerheden doorgaans groter bij prognoses op gemeentelijk schaalniveau dan bij prognoses op regionaal of provinciaal niveau. Om die reden is ervoor gekozen, de prognoseperiode op het gemeentelijke schaalniveau grotendeels te beperken tot 2040, waarbij – zoals gezegd – met name op de wat langere termijn (richting 2030/2040) het indicatieve karakter (sterk) toeneemt. Op provinciaal, regionaal – de indeling in vier RRO-gebieden5 - en subregionaal schaalniveau zijn op deze website ook indicaties terug te vinden van de bevolkings- en woningbehoefte-ontwikkelingen tot 2050.

 

  • 1. <em>Ontwerp Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017 (13.1 Wijziging artikel 37.6 Bevolkings- en woningbehoefteprognose).</em> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 10 maart 2017.
  • 2. Het IPB-Primos-model is in opdracht van de gezamenlijke provincies ontwikkeld en wordt beheerd door ABFresearch. Dit ‘Instrument voor Planning en Beleid’ is een vraaggestuurd, demografisch prognosemodel (met een ‘Primos-motor’). Met het model worden op gemeentelijk schaalniveau van jaar op jaar de toekomstige bevolkings- en huishoudensontwikkelingen vooruitberekend. Voor zover de gegevens hiertoe beschikbaar zijn, is uitgegaan van 1 januari 2017 als startdatum van de prognose. Wat de feitelijke ontwikkeling van de bevolking over 2016 betreft is hierbij gebruik gemaakt van voorlopige migratiegegevens, die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) t/m november van 2016 heeft gepubliceerd. Vanuit de vooruitberekende bevolkings- en huishoudensontwikkelingen wordt vervolgens de toekomstige woningbehoefte en woningvoorraad afgeleid (woningbouw als ‘output-variabele’). Op dit punt wijkt het IPB-Primos-model af van het (originele) Primos-model, dat onder andere door het Directoraat-generaal Wonen en Bouwen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gebruikt. En ook van het model Pearl, waarmee in samenwerking tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) regionale bevolkings- en huishoudensprognoses worden opgesteld. Kenmerkend voor zowel Primos als Pearl is dat vooraf een woningbouwprogramma wordt ingevoerd, waarna vervolgens de vooruitberekeningen van de bevolkings- en huishoudensontwikkelingen worden gemaakt. Woningbouw is in beide modellen een ‘input-variabele’, waarmee de modellen dus meer als aanbodgestuurd getypeerd kunnen worden. Door de verschillen in modelsystematiek kunnen vooral op het gemeentelijke schaalniveau de uitkomsten variëren.
  • 3. - Lenny Stoeldraijer, Coen van Duin en Corina Huisman (2016). <em>Kernprognose 2016–2060: 18 miljoen inwoners in 2034 voorzien.</em> Bevolkingstrends 2016. CBS, december 2016. <br>- Coen van Duin e.a. (2016). <em>Huishoudensprognose 2015-2060. Jongeren en ouderen langer thuis.</em> Bevolkingstrends 2016. CBS, mei 2016. <br>- Coen van Duin e.a. (2015). <em>Kernprognose 2015-2060: hogere bevolkingsgroei op korte termijn.</em> Bevolkingstrends 2015. CBS, december 2015. <br>- Coen van Duin, Lenny Stoeldraijer en Jeroen Ooijevaar (2015). <em>Bevolkingsprognose 2014–2060: veronderstellingen migratie.</em> Bevolkingstrends 2015. CBS, april 2015. <br>- Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer (2014). <em>Bevolkingsprognose 2014–2060: groei door migratie.</em> Bevolkingstrends 2014. CBS, december 2014.
  • 4. K. Gopal e.a. (2016). <em>Primos 2016. Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte, 2016-2050.</em> ABFresearch, Delft, september 2016.
  • 5. De Provincie Noord-Brabant hanteert een indeling in een viertal ‘RRO-gebieden’. RRO staat voor regionaal ruimtelijk overleg. ‘Het wonen’ is een van de (vaste) agendapunten op de agenda van de RRO’s. Om beter aan te kunnen sluiten op het (lagere) schaalniveau waarop veel van de ontwikkelingen op de regionale woningmarkt zich (doorgaans) afspelen, is – binnen deze RRO-indeling – onderscheid gemaakt in (sub)regionale woningmarktgebieden.