8.

Veranderingen in huishoudenssamenstelling

Tot 2040 komen er in Noord-Brabant nog zo’n 130.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens 42% een eenpersoonshuishoudens is. Door de vergrijzing zal met name het aantal oudere alleenstaanden (65+) sterk toenemen.

Niet alleen naar leeftijd, ook naar huishouden ondergaat de samenstelling van de Brabantse bevolking de komende tijd de nodige veranderingen. Veranderingen die bovendien sterk met elkaar samenhangen. Het aantal huishoudens zal nog met ruim 130.000 toenemen, tot bijna 1.230.000 in 2050. Dat is een groei van 12%. (tabel II).

Tabel II

Huishoudensontwikkelingen in Noord-Brabant, 2014-2050

huishoudens huishoudensgroei huishoudens
  2014 2014-2019 2020-2029 2030-2039 2040-2049 2014-2049 2050
Noord-Brabant 1.096.200 58.200 56.800 15.600 1.600 132.200 1.228.400
Stedelijke concentratiegebieden 774.300 41.000 45.200 22.500 15.900 124.600 898.900
Landelijke gebieden 321.900 17.100 11.600 -6.900 -14.300 7.500 329.500
RRO West-Brabant 305.600 14.500 13.800 1.300 -2.700 26.900 332.500
RRO Midden-Brabant 180.900 9.600 9.300 3.700 2.700 25.300 206.100
RRO Noordoost-Brabant 274.300 16.500 16.300 4.300 -300 37.000 311.300
RRO Zuidoost-Brabant 335.400 17.500 17.300 6.200 1.900 43.000 378.500
groei-indices
    2014-2019
(2014 = 100)
2020-2029
(2020 = 100)
2030-2039
(2030 = 100)
2040-2049
(2040 = 100)
2014-2049
(2014 = 100)
 
Noord-Brabant   105,3 104,9 101,3 100,1 112,1  
Stedelijke concentratiegebieden   105,3 105,5 102,6 101,8 116,1  
Landelijke gebieden   105,3 103,4 98,0 95,8 102,3  
RRO West-Brabant   104,7 104,3 100,4 99,2 108,8  
RRO Midden-Brabant   105,3 104,9 101,8 101,3 114,0  
RRO Noordoost-Brabant   106,0 105,6 101,4 99,9 113,5  
RRO Zuidoost-Brabant   105,2 104,9 101,7 100,5 112,8  
De in de tabel opgenomen gegevens zijn afgerond op 100-tallen; hierdoor kunnen er in de tabel geringe afwijkingen voorkomen.

Zie ook: toelichting op de gehanteerde gebiedsindeling

 

In tegenstelling tot de vorige prognose uit 20111 neemt het aantal huishoudens ook na 2040 nog toe, al komt de groei wel nagenoeg tot stilstand. Al met al ligt het aantal huishoudens in 2050 zo’n 40.000 hoger vergeleken met de vorige prognose.

Sterke groei aantal eenpersoonshuishoudens

Groeit het aantal huishoudens in Noord-Brabant in de komende 25 jaar nog met zo’n 12%, de bevolking groeit in diezelfde periode met slechts 4%. Deze sterkere toename van het aantal huishoudens hangt samen met de vergrijzing en de individualisering. Hierdoor groeit met name het aantal eenpersoonshuishoudens sterk (figuur 8.1). Tot 2050 komen er bijna 143.000 eenpersoonshuishoudens bij, waarmee de huishoudensgroei (meer dan) volledig kan worden verklaard. Het aantal alleenstaanden groeit hiermee met 38%. In 2050 bestaat zo’n 42% van alle huishoudens in Brabant uit een eenpersoonshuishouden. In 2000 lag dat percentage nog onder de 30% (figuur 8.2). Tegenover de groei van het aantal alleenstaanden staat een afname van het aantal (al dan niet gehuwde) paren. Desalniettemin blijft het aantal samenwonenden in Brabant wel verreweg de grootste huishoudenscategorie. In 2050 behoort ruim 51% van de huishoudens tot deze categorie (was 66% in 2000).

Figuur 8.1

Huishoudens naar type (absoluut)

Noord-Brabant, 2000-2050

Figuur 8.2, 8.2a en 8.2b

Huishoudens naar type (procentueel)

2000-2050

Verdelen we de huishoudens naar leeftijd (van het hoofd van het huishouden), dan zien we dat met name bij de jongvolwassenen en de ouderen verhoudingsgewijs veel eenpersoonshuishoudens zijn te vinden (figuur 8.3a). Jongeren die uit huis gaan, wonen eerst een tijdje alleen. Ouderen blijven, na verlies van hun partner als alleenstaande achter. Juist vanwege hun hogere levensverwachting, geldt dit laatste vooral voor vrouwen.

Figuur 8.3a

Huishoudensverdeling naar leeftijd, aandeel eenpersoonshuishoudens

Noord-Brabant, 2000-2050

 

De komende tijd wordt vooral bij de middelbare leeftijden een duidelijke groei verwacht van het percentage eenpersoonshuishoudens. Uitstel van (langdurige) relatievorming speelt hierbij een rol en de tijd dat men – al dan niet tussen twee relaties in – alleen woont neemt toe. Bovendien groeit het aantal informele samenwoonrelaties. Relaties van ongehuwd samenwonende stellen zijn iets minder stabiel dan van gehuwde stellen.2

Op hogere leeftijd zien we de percentages eenpersoonshuishoudens juist wat teruglopen, al blijven de alleenstaanden – zeker op hogere leeftijd – het leeuwendeel van de huishoudens uitmaken. Door de stijgende levensverwachting neemt de leeftijd bij verweduwing toe, waardoor oudere paren langer bij elkaar blijven. De wat sterker oplopende levensverwachting van mannen (‘inhaaleffect’) speelt hierbij eveneens een rol. Ook dit heeft een (licht) neerwaarts effect op het aantal alleenstaanden en juist een opwaarts effect op het aantal samenwonenden op hogere leeftijd. Omgekeerd heeft de groei van het aantal alleenstaanden bij de middelbare leeftijden z’n tegenhanger in de afname van het aantal samenwonenden bij deze leeftijdsgroepen (figuur 8.3b).

Figuur 8.3b

Huishoudensverdeling naar leeftijd, aandeel samenwonenden

Noord-Brabant, 2000-2050

 

Vooral toename alleenstaande ouderen

De toekomstige groei van het aantal eenpersoonshuishoudens (143.000) komt vrijwel volledig voor rekening van de ouderen (figuur 8.4). Door de vergrijzing neemt ook het aantal oudere alleenstaanden (65+) sterk toe. Tot 2050 komen er in Brabant naar verwachting bijna 130.000 oudere alleenstaanden bij, een verdubbeling ten opzichte van 2014. Vooral het aantal alleenstaande 75-plussers neemt sterk toe. In omvang groeit deze groep van 75.000 in 2014 naar bijna 190.000 in 2050 (+150%). Naar verwachting is van alle alleenstaanden meer dan een op de drie (36%) in 2050 75 jaar of ouder (20% in 2014). Meer dan een kwart (27%) is dan zelfs 80 jaar of ouder, waar dat nu nog ongeveer een op de acht is (13%).

Figuur 8.4

Eenpersoonshuishoudens naar leeftijd (absoluut)

Noord-Brabant, 2000-2050

 

Eenouderhuishoudens, overige huishoudens en de tehuisbevolking

Wat het aantal eenouderhuishoudens en het aantal overige huishoudens betreft, worden de komende tijd maar weinig veranderingen verwacht (figuur 8.1). Het aantal eenouderhuishoudens groeit nog licht, van 68.000 in 2014 tot zo’n 75.000 in 2050 (+9%).

Het aantal overige huishoudens neemt gedurende de prognoseperiode eveneens licht toe, al blijven de aantallen – 7.500 in 2050 – beperkt. Tot deze zogenoemde ‘overige’ huishoudens behoren personen die geen partnerrelatie of ouder-kindrelatie hebben, maar wel een gezamenlijk huishouden voeren. Voorbeelden hiervan zijn studenten die gezamenlijk een huishouden vormen of twee broers of zussen die samen in een huis wonen.

Ten slotte zijn er personen die wonen of verblijven in instellingen en tehuizen. Deze personen vormen geen zelfstandig huishouden en zijn daarom ook buiten de berekening van de woningbehoefte gehouden. In Noord-Brabant is de instellings- en tehuisbevolking de afgelopen jaren steeds iets teruggelopen. Momenteel omvat deze groep iets meer dan 30.000 mensen. In lijn met landelijke (CBS-)veronderstellingen is er in de prognose voor de eerstkomende jaren van uitgegaan, dat de instellings- en tehuisbevolking ongeveer gelijk blijft. Vanaf 2020 zal, onder invloed van de sterke vergrijzing, de instellings- en tehuisbevolking echter geleidelijk aan weer toenemen, tot bijna 60.000 personen in 2050.3 Ondanks deze absolute toename van het aantal personen in een ‘institutioneel huishouden’ daalt, vooral bij de oudere leeftijdsgroepen, het aandeel personen in instellingen en tehuizen. Deze daling hangt samen met de al langer aanhoudende trend om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, samen of alleen. Hierbij speelt ook de stijgende levensverwachting een rol, waardoor paren tot op hoge leeftijd blijven samenwonen.

Huishoudens worden steeds kleiner

Doordat de groei van het aantal huishoudens zich vooral voordoet bij de eenpersoonshuishoudens, neemt het gemiddeld aantal personen per huishouden de komende decennia verder af. Telt een Brabants huishouden in 2000 nog iets meer dan 2,4 personen, in 2050 is de gemiddelde huishoudensgrootte4 naar verwachting teruggelopen tot 2,05. In de stedelijke concentratiegebieden loopt de huishoudensgrootte terug van 2,32 in 2000 naar 2,0 in 2050. In de landelijke liggen deze cijfers op 2,62 in 2000 en op 2,18 halverwege deze eeuw (figuur 8.5).

Figuur 8.5

Gemiddelde huishoudensgroote

Noord-Brabant, 2000-2050

 

Stedelijke concentratiegebieden en landelijke gebieden

Tussen de stedelijke concentratiegebieden en de landelijke gebieden bestaat een aantal duidelijke verschillen in huishoudenssamenstelling (figuur 8.2a en 8.2b). Zo ligt het percentage eenpersoonshuishoudens in de stedelijke concentratiegebieden beduidend hoger, terwijl in de landelijke gebieden verhoudingsgewijs juist meer paren wonen. In 2014 behoort 37% van de huishoudens in de stedelijke concentratiegebieden tot de eenpersoonshuishoudens. In de landelijke regio’s ligt dit percentage op ‘slechts’ 27%, tien procentpunten lager dus. Daarentegen vormen de samenwonenden in de landelijke gebieden liefst 67% van het aantal huishoudens en behoort ‘slechts’ 56% van de huishoudens in de stedelijke concentratiegebieden tot deze groep.

De komende tijd zien we zowel in de stedelijke als in de landelijke gebieden het percentage eenpersoonshuishoudens sterk toenemen en het percentage samenwonenden juist (verder) afnemen; vergrijzing en individualisering spelen immers overal. Wat de processen van huishoudensvorming betreft, zullen de onderlinge verschillen en verhoudingen tussen beide gebiedstypen in grote lijnen niet veel wijzigen.

  • 1. <em>De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant - actualisering 2011.</em> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, januari 2012
  • 2. Coen van Duin e.a. (2013). <em>Huishoudenssprognose 2013–2060: sterke toename oudere alleenstaanden.</em> Bevolkingstrends 2013. CBS, september 2013.
  • 3. De belangrijkste veronderstelling ten aanzien van de aannames omtrent de ontwikkeling van de bevolking in instellingen en tehuizen is, dat er grenzen zijn aan de afname van het aantal plaatsen in specifieke instellingen, zoals verpleeghuizen, tehuizen voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten en psychiatrische inrichtingen. Er wordt dus van uitgegaan dat er een zekere ‘minimumcapaciteit’ in zorginstellingen nodig blijft, die bovendien – met het oog op de aanstaande sterke verdere vergrijzing van de bevolking – na 2020 geleidelijk aan weer wat zal moeten worden uitgebreid. Ondanks deze absolute toename van de capaciteit in instellingen en tehuizen zal van de sterk groeiende groep ouderen een steeds kleiner deel terecht kunnen in een zorginstelling. Daarnaast mag worden aangenomen dat, met de dubbele vergrijzing en de hiermee samenhangende sterke groei van het aantal hoogbejaarden voor ogen, ook de vraag naar intensieve (verpleeghuis)zorg zal toenemen. Gelet op de veronderstelde beperkte toename van de capaciteit betekent dit dat een ‘ombouw van verzorging naar verpleging’ zal moeten plaatsvinden. De beschikbare capaciteit zal steeds meer ingezet worden voor mensen die sterk hulpbehoevend zijn. De lichtere vormen van zorg zullen meer en meer in de woning of in de (directe) woonomgeving geboden moeten worden.
  • 4. Bij de berekening van de gemiddelde huishoudensgrootte is de bevolking in instellingen en tehuizen buiten beschouwing gelaten.