10.

Wonen met zorg en welzijn

Samenhangend met de vergrijzing liggen er in Noord-Brabant forse opgaven op het vlak van ‘wonen met zorg en welzijn’. Opgaven liggen er vooral bij het ‘beschermd wonen’ en het ‘verzorgd wonen’. Het verzorgd wonen zal meer en meer in de woning of de directe woonomgeving moeten worden geboden. Een belangrijk deel van de opgaven bestaat uit het aanpassen van de bestaande woningvoorraad en het organiseren van zorg en begeleiding aan huis.

Trends en ontwikkelingen

Door de veranderingen in leeftijdssamenstelling van de Brabantse bevolking, waarbij de sterke vergrijzing het meest in het oog springt, zal er de komende jaren veel aandacht moeten zijn voor de thematiek rond ‘wonen met zorg en welzijn’.

Natuurlijk, er gebeurt al veel op dit vlak. In de verschillende regio’s in Noord-Brabant wordt momenteel langs tal van lijnen gewerkt om invulling te geven aan de grote opgaven die er liggen. Er zal echter nog heel wat meer moeten gebeuren, waarbij ook de sterke dynamiek met betrekking tot dit ‘dossier’ een belangrijke rol speelt. Mede door de gewijzigde financieel-economische omstandigheden, ontwikkelingen in het nationaal beleid – denk bijvoorbeeld aan de extramuralisering van de lichtere zorgzwaartepakketten (ZZP) – en verander(en)de woonwensen van de gebruikers zelf, zullen andere, nieuwe wegen moeten worden ingeslagen. Hierbij zullen de oplossingen op diverse terreinen gezocht moeten worden: niet alleen op het vlak van wonen, zorg en welzijn, maar bijvoorbeeld ook in de sfeer van technologische ontwikkelingen.

Kernpunt bij dit alles is, dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig (willen) blijven wonen1. Dit betekent ook, dat (lichtere vormen van) zorg en welzijn meer en meer in de woning of in de directe woonomgeving moet worden geboden. Uiteraard hangt een en ander nauw samen met het voorgestane overheidsbeleid, dat stoelt op een drietal motieven2: het verbeteren van de kwaliteit van ondersteuning en zorg, het vergroten van de sociaal-maatschappelijke betrokkenheid en de financiële houdbaarheid van ‘het zorgsysteem’.

  • 1. - <i>Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, is samenwerking met de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2014). Langer zelfstandig, een gedeelde opgave van wonen, zorg en welzijn.</i> Den Haag, januari 2014.<br> - Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2012). <i>Redzaam ouder. Zorg voor niet-redzame ouderen vraagt om voorzorg door iedereen.</i> Den Haag, mei 2012.
  • 2. Zie ook: Brabants Dagblad (2013). <i>Nieuwe ouderenzorg is niet zo slecht.</i> Prof. dr. Jos Schols, 6 september 2013

Enkele uitgangspunten

Met de jongste actualisering van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose is ook een indicatie gegeven van de (regionale) opgaven die er in Noord-Brabant liggen op het vlak van wonen met zorg en welzijn3. Hierbij is onderscheid gemaakt in het ‘beschermd wonen’, ‘beschut wonen’, ‘verzorgd wonen’ en ‘geschikt wonen’ (klik hier voor definities). De vooruitberekeningen hebben betrekking op ouderen (‘verzorging en verpleging’) en beslaan de periode 2012 tot 2040.

In de prognose is rekening gehouden met de (recente) ontwikkelingen in het rijksbeleid, waardoor een groot deel van de verzorgingshuiszorg zal worden geëxtramuraliseerd. Zo zal het aantal verzorgingshuisplaatsen (ZZP 1-4, oftewel het ‘beschut wonen’) de komende 8 à 10 jaar waarschijnlijk voor een belangrijk deel worden afgebouwd. Per 1 januari 2013 worden geen nieuwe indicaties voor ZZP 1 en 2 meer afgegeven en per 1 januari 2014 ook niet meer voor ZZP 3. Wanneer dit gaat gebeuren voor ZZP 4, en of ZZP 4 helemaal verdwijnt, is op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen. Werd eerder nog uitgegaan van 50% extramuralisering van ZZP 4 vanaf 1 januari 20164, in het (rijks)begrotingsoverleg5 (voorjaar 2014) is deze bezuiniging weer deels teruggedraaid. In de prognoseberekeningen is er daarom (voorlopig) van uitgegaan, dat ZZP 4 vanaf 1 januari 2016 voor 25% zal worden geëxtramuraliseerd6.

De opgaven

De komende jaren liggen er stevige opgaven op het vlak van wonen met zorg en welzijn. In tabel IV is een (kwantitatieve) indicatie gegeven van deze opgaven, die overal in Brabant spelen. Een meer regiospecifiek beeld van deze opgaven is terug te vinden in tabel IVa en tabel IVb.

Tabel IV

Beschermd, beschut, verzorgd en geschikt wonen in Noord-Brabant: een indicatie van de opgaven, 2012-2040

aanbod opgaven
incl. inloop tekorten
  2012 2012-2024 2025-2039 2012-2039
beschermd wonen (plaatsen) 14.150 7.300 10.150 17.450
beschut wonen (plaatsen) 9.300 -5.000 2.250 -2.750
verzorgd wonen (woningen) 21.250 17.450 8.100 25.550
geschikt wonen (woningen) 247.550 69.900 31.400 101.300
groei-indices
    2012-2024
(2012 = 100)
2025-2039
(2025 = 100)
2012-2039
(2012 = 100)
beschermd wonen (plaatsen)   152 147 223
beschut wonen (plaatsen)   46 152 70
verzorgd wonen (woningen)   182 121 220
geschikt wonen (woningen)   128 110 141
De in de tabel opgenomen gegevens zijn afgerond op 50-tallen; hierdoor kunnen er in de tabel geringe afwijkingen voorkomen.

Zie ook: tabel IVa en tabel IVb

In absolute zin zal vooral het aantal ‘geschikte woningen’ moeten toenemen. Tot 2040 – als de vergrijzing (het aantal 65+-ers) naar verwachting haar hoogtepunt bereikt – is er een extra behoefte aan ruim 100.000 geschikte woningen. Dat is een groei van ruim 40% ten opzichte van de huidige voorraad aan geschikte woningen. Zoals tabel IV laat zien zal een belangrijk deel van deze opgave al in de komende jaren (tot 2025) moeten worden gerealiseerd, ook om bestaande tekorten aan geschikt wonen in de loop van de prognoseperiode in te lopen.

Verhoudingsgewijs ligt de sterkste groei echter bij het beschermd en verzorgd wonen (figuur 10.1). Voor beide zal het aanbod tussen 2012 en 2040 ruimschoots moeten verdubbelen.

Voor het beschermd wonen, waar de zwaardere, intensievere vormen van zorg worden geboden, komt de vraagraming anno 2040 ruim 17.000 plaatsen hoger uit dan het huidige aanbod van 14.000 (intramurale) plaatsen in 2012. Vergeleken met de prognose uit 20117 ligt de vraag naar beschermd wonen beduidend hoger. Zo komt de jongste prognose uit op bijna 32.000 plaatsen in 2040, tegen zo’n 25.000 plaatsen in de vorige prognose. Deze toegenomen vraag hangt grotendeels samen met de naar boven toe bijgestelde levensverwachting.

Mede doordat er vandaag de dag nog een behoorlijk tekort bestaat (6.000 woningen) zal ook het aanbod voor het verzorgd wonen nog sterk moeten toenemen (+120% tot 2040) om aan de toekomstige vraag te kunnen voldoen. Het grootste deel van deze groei – bijna 70% – zal voor 2025 moeten worden gerealiseerd, waarbij natuurlijk ook de extramuralisering van de verzorgingshuiszorg een belangrijke rol speelt. Door deze extramuralisering zal het overgrote deel van de mensen die niet meer in een verzorgingshuis terecht kunnen, een beroep doen op het verzorgd wonen.

Tegelijkertijd leidt deze ontwikkeling tot een sterke afname van de vraag naar beschut wonen. Tot 2025 zijn er zo’n 5.000 verzorgingshuisplaatsen minder nodig, waarmee het aanbod meer dan gehalveerd wordt (-54%). Vooral de eerstkomende jaren daalt deze vraag gestaag (figuur 10.1). Ervan uitgaande dat ook op termijn nog een groot deel (75%) van ZZP 4 ‘beschut kan wonen’, zal – samenhangend met de verdere vergrijzing van de Brabantse bevolking – de vraag vanaf 2025 weer licht oplopen.

Figuur 10.1

Ontwikkeling van de vraag naar beschermd, beschut, verzorgd en geschikt wonen

Noord-Brabant (incl. inloop tekorten, 2012=100)

  • 3. Hiertoe is aan het IPB-Primos-model, waarmee de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose wordt gedraaid, de module Fortuna gekoppeld. Met deze module kunnen ramingen worden gemaakt van de ontwikkelingen van de vraag naar het beschermd, beschut, verzorgd en geschikt wonen. De demografische ontwikkelingen, zoals die met het IPB-Primos-model zijn vooruitberekend, worden hierbij als basis genomen. De toekomstige vraag naar de diverse vormen van wonen met zorg en welzijn hangt immers voor een belangrijk deel samen met deze bevolkingsontwikkelingen, met de vergrijzing als meest opvallende kenmerk. Daarnaast wordt bij de vraagraming rekening gehouden met geslacht, huishoudenssamenstelling, opleidingsniveau en inkomen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld, dat de zorgvraag (wat) toeneemt als iemand (een huishouden) alleenstaand is, een lage(re) opleiding of een laag inkomen heeft. Toekomstige verschuivingen in de samenstelling van de (ouder wordende) bevolking naar opleidings- en inkomensniveau zijn dus van invloed op de toekomstige vraag naar wonen met zorg en welzijn. Ook kenmerken van de woningvoorraad – is het betreffende huishouden woonachtig in een huur- of in een koopwoning – worden meegenomen. - Zie ook: Jaap van Galen (2013). <i>Fortuna 2012. Prognose Wonen met Zorg - inclusief zorgzwaartepakketten (ZZP).</i> ABFresearch, Delft, januari 2013.
  • 4. <i>Hervorming langdurige zorg: naar een waardevolle toekomst.</i> Brief van de Staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 25 april 2013.<br> - <i>Hervorming van de langdurige ondersteuning en zorg. </i>Bijlage bij Kamerbrief van 25 april 2013. De notitie beschrijft de uitwerking van de kabinetsvoornemens in de langdurige zorg (o.b.v. <i>Bruggen slaan. Regeerakkoord VVD - PvdA</i>. 29 oktober 2012.
  • 5. Brief van de Staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de uitkomsten van het begrotingsoverleg inzake de ‘Toekomst van de AWBZ’. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2013–2014, 30597, nr. 435, 17 april 2014.
  • 6. Zie ook: <i>‘Wat is de actuele besluitvorming over scheiden wonen en zorg?’</i> Aedes-Actiz, Kenniscentrum Wonen-Zorg, juli 2014.
  • 7. <i>De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant - actualisering 2011. </i>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, januari 2012.

Strategieën voor vrijkomend zorgvastgoed

De extramuralisering heeft tot gevolg, dat vrijkomende instellingsplaatsen voor het beschut wonen niet meer opgevuld worden. Voor zorginstellingen en woningcorporaties, die eigenaar zijn van deze verzorgingshuizen, zijn er verschillende strategieën om met deze vrijkomende plaatsen om te gaan8:

  1. omzetten naar verpleeghuisplaatsen (ZZP 5-10, oftewel beschermd wonen);
  2. opzeggen van de huurovereenkomst;
  3. omzetten naar zelfstandige (extramurale) woningen met zorg (verzorgd wonen);
  4. (tijdelijk) verhuren aan andere doelgroepen;
  5. slopen en herontwikkelen.

De keuze voor een bepaalde strategie hangt onder meer samen met de ouderdom van het vastgoed, de geschiktheid het vastgoed om te zetten naar verpleeghuisplaatsen of naar zelfstandig wonen en met de financiële mogelijkheden.

Verwacht mag worden dat veel zorginstellingen zullen inzetten op de strategieën 1 en 3. Strategie 5 is vooral een optie bij ouder vastgoed met een lage boekwaarde. Omzetten naar verpleeghuisplaatsen – strategie 1 – kan echter alleen als daar door de zorgkantoren ook de ruimte voor wordt geboden. Deze ruimte wordt begrensd door de groei van de vraag naar beschermd wonen. De eerstkomende jaren daalt de vraag naar beschut wonen zo snel, dat deze niet volledig kan worden gecompenseerd door de groei van de vraag naar beschermd wonen (figuur 10.2). Aangezien er ook nog op nieuwe locaties plaatsen voor beschermd wonen worden gerealiseerd (bijvoorbeeld kleinschalige woonvormen), zal de ruimte voor ‘ombouw van verzorging naar verpleging’ in de praktijk lager liggen.

Zorginstellingen zullen de overige verzorgingshuisplaatsen waarschijnlijk zoveel mogelijk trachten om te zetten naar zelfstandig verzorgd wonen (strategie 3). Op die manier kunnen zij hun zorgfunctie voor deze doelgroep behouden. Of het omzetten naar zelfstandig verzorgd wonen mogelijk is, hangt af van een aantal factoren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de geschiktheid van het zorgvastgoed, waarbij aspecten als kamergrootte, sanitaire voorzieningen en de aanwezigheid van een keuken een rol spelen. Ook is de leeftijd van het vastgoed van belang; oude gebouwen sluiten veelal minder goed aan op de eisen en woonwensen van deze tijd. Daar staat wel tegenover dat deze eerder afgeschreven kunnen worden, wat ruimte biedt voor verbouwing of voor sloop en nieuwbouw.

Financiële aspecten wegen sowieso zwaar mee bij de strategiekeuze: zo zit in de AWBZ een huisvestingsbijdrage die hoger is dan de huursubsidiegrens. Zelfs met extra servicekosten (vanwege de aanwezige gezamenlijke voorzieningen) zullen de huuropbrengsten veelal lager zijn, dan waarmee in de exploitatie rekening is gehouden. Bovendien is het nog maar de vraag of de maximale huur kan worden gevraagd, gelet op de grootte en kwaliteit van de te verhuren woonruimte. Zo bezien zit de uitdaging ‘m er vooral in om als gezamenlijke partijen op de ‘zorgmarkt’ (zorginstellingen, woningbouwcorporaties en particuliere investeerders) nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen, waarmee een aantrekkelijk aanbod van wonen, zorg en welzijn kan (blijven) worden geboden. Een aanbod gericht op een toekomstige doelgroep die (in potentie) de komende decennia alleen maar groter wordt.

Omdat door bezuinigingen en wijzigingen in het rijksbeleid, zowel bij de zorginstellingen als bij de corporaties de financiële ruimte voor investeringen is afgenomen of (meer) onzeker is geworden, zullen hierbij ook nieuwe, inventieve financiële arrangementen gezocht moeten worden om rendabel te kunnen investeren en de (ver)nieuwbouw op peil te kunnen houden waardoor vele plannen (voorlopig) niet kunnen worden gerealiseerd. De komende jaren zullen inventieve financiële oplossingen gezocht moeten worden om toch rendabel te kunnen investeren en de nieuwbouw weer op gang te krijgen.

Een laatste strategie die hier aan de orde komt, is (een deel van) het vastgoed te verhuren aan andere doelgroepen, zoals verstandelijk gehandicapten, GGZ-cliënten, arbeidsmigranten of studenten. Het kan zijn dat de kwaliteit beter aansluit bij de wensen van deze doelgroepen. Ook kan het een tijdelijke oplossing bieden, bijvoorbeeld als het nog enige tijd duurt voordat tot sloop en nieuwbouw kan worden overgegaan. Financieel het meest aantrekkelijk is verhuren aan een andere AWBZ-doelgroep. Vandaag de dag worden sommige vrijkomende locaties ook ingezet als tijdelijke locatie voor bewoners van verzorgingshuizen die worden omgebouwd. Zo wordt schuifruimte gecreëerd die de omzetting naar verpleeghuisplaatsen of naar zelfstandig verzorgd wonen mogelijk maakt.

Figuur 10.2

Ontwikkeling van de intramurale vraag

Noord-Brabant, 2012-2040

De opgaven realiseren

Er zijn tal van mogelijkheden om invulling te geven aan de opgaven op het vlak van het ‘wonen met zorg en welzijn’.

Zo kan de opgave voor het beschermd wonen – ruim 17.000 plaatsen extra tot 2040 – worden gerealiseerd door het aantal verpleeghuisplaatsen uit te breiden, bestaande verzorgingshuisplaatsen om te bouwen naar verpleeghuisplaatsen en door nieuwbouw van kleinschalige complexen voor intensieve zorg.

De opgaven voor het verzorgd en het geschikt wonen zullen voor het overgrote deel in de (nieuwe en bestaande) woningvoorraad moeten worden gerealiseerd. Tot 2040 zullen er nog ruim 125.000 (nultreden)woningen extra beschikbaar moeten komen, waarvan zo’n 87.500 voor 2025.

Naast nieuwbouw en een (meer) gerichte woningtoewijzing en woonruimteverdeling zal vooral de om- en verbouw van ‘gewone’ woningen tot nultredenwoningen een substantiële bijdrage leveren aan deze opgaven. Door gerichte ingrepen en aanpassingen kan een belangrijk deel van de bestaande woningvoorraad – en in veel gevallen ook relatief vrij eenvoudig – geschikt gemaakt worden voor ouderen en mensen met een beperking. Behalve ‘nultreden’ gaat het ook om aanpassingen, die bijvoorbeeld de risico’s op vallen moeten beperken.

Voor het label ‘verzorgd wonen’ is het hierbij bovendien noodzakelijk, dat er een zorgsteunpunt of thuiszorg in de buurt is, van waaruit aan zelfstandig wonende ouderen ‘oproepbare zorg’ kan worden geleverd. Het bewerkstelligen van een samenhangende zorg- en welzijnsinfrastructuur in wijken en dorpen is de komende jaren een belangrijke taak van gemeenten. Daarmee kunnen veel geschikte of nog geschikt te maken woningen onder de noemer van het verzorgd wonen worden gebracht.

Een en ander sluit ook nauw aan op de toenemende behoefte van ouderen en mensen met een zorgvraag om zo lang mogelijk zelfstandig te willen blijven wonen9. Een ontwikkeling, die door toepassing van allerlei technische middelen en aanpassingen in de woning en de directe woonomgeving in veel gevallen ook mogelijk is (of wordt).

  • 8. Companen (2013). <i>Wonen met zorg in de Stadsregio Arnhem-Nijmegen. Gevolgen kabinetsvoornemens AWBZ.</i> Companen, 25 februari 2013
  • 9. Henry Meijdam e.a. (2014). <i>Langer zelfstandig wonen gaat niet vanzelf. In: Tijdschrift voor de Volkshuisvesting,</i> nr. 3, juni 2014, blz. 44-47.

Vragen voor de lokale en de regionale agenda

Er zijn nog tal van vragen, hoe ouderen en andere zorgvragers zullen reageren op de vele (aanstaande) veranderingen op het vlak van wonen met zorg en welzijn. Willen ze inderdaad in groten getale zo lang mogelijk in hun eigen huis blijven wonen en gaan ze hun woning daarop aanpassen? Of is er een groep die liever verhuist naar een meer geschikte woning (met zorg) en hoe groot is die groep dan? Moet de gemeente inzetten op het realiseren van woon-zorgcomplexen of juist op voorlichting aan particulieren hoe zij hun woning kunnen aanpassen?

Hierbij is het van belang dat ook voor senioren geldt, dat hun woonwensen onderling sterk verschillen10. Er zijn immers vele tinten grijs11. Bovendien kunnen de antwoorden op deze vragen per wijk en dorp sterk verschillen, afhankelijk van wat er al is aan zorgvastgoed, geschikte woningen en voorzieningen op het vlak van zorg en welzijn.

Dit alles vraagt om (lokaal) maatwerk, met een combinatie van verschillende oplossingen. Hierbij zal – meer vraaggericht – ingespeeld moeten worden op concrete behoeften, wensen en problemen van bewoners. Vaak is hiervoor nog wel een omslag in denken nodig bij diverse partijen, die lange tijd vooral aanbodgericht hebben gewerkt.

Gelet op de forse opgaven zal het thema ‘wonen met zorg en welzijn’ de komende jaren een prominente plek innemen op de lokale en de regionale agenda. Een van de aandachtspunten betreft de vraag in hoeverre de opgaven voldoende verankerd zijn in (gemeentelijke) plannen en initiatieven voor het beschermd, verzorgd en geschikt wonen. Plannen en initiatieven voor woningbouw, maar bijvoorbeeld ook voor nieuwe kleinschalige complexen waar intensieve zorg kan worden geboden of voor zorgsteunpunten. Provinciale analyses van de gemeentelijke plancapaciteiten12 laten zien, dat er met name voor het beschermd en het verzorgd wonen vaak nog stevige opgaven liggen. Voor het geschikt wonen lijken er voldoende plannen te zijn13. Te meer daar de opgave niet alleen door nieuwbouw gerealiseerd hoeft te worden, maar er juist ook andere mogelijkheden kunnen worden benut (met name in de bestaande woningvoorraad) om in een groot deel van de opgave te voorzien.

  • 10. Jeroen Lijzenga en Theo van der Waals (2014). <i>Woonvoorkeuren specifieke woonvormen voor ouderen: een verhaal met veel gezichten.</i> Companen (in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mei 2014.
  • 11. Nicole van der Gaag en Joop de Beer (2014). <i>Nieuwe tinten grijs?</i> In: Demos, jaargang 30, nr. 2, februari 2014, blz. 5-7.
  • 12. Zie bijvoorbeeld: <i>Woningmarktontwikkelingen in Noord-Brabant: stand van zaken anno 2013. Analyses en achtergronden bij de Regionale Agenda voor Wonen.</i> Regionale Agenda voor Wonen, deel B. Regionaal Ruimtelijke Overleg, Noordoost, Zuidoost, Midden, West, najaar 2013.
  • 13. Tussen 2014 en 2025 zal de woningvoorraad in Noord-Brabant naar verwachting nog toenemen met ongeveer 110.000 woningen. Ervan uitgaande dat hiervan 45% een nultredenwoning is – een percentage dat overeenkomt met de feitelijke nieuwbouwproductie in de afgelopen jaren (2010 t/m 2013) – komen er (netto) zo’n 50.000 nultredenwoningen bij. In dat geval kan alleen al via de nieuwbouw tot 2025 een kleine 60% van de opgave (87.000 woningen) worden ingevuld.