8.

Veranderingen in huishoudenssamenstelling

Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog zo’n 185.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens 43% een eenpersoonshuishouden is. Vooral het aantal oudere alleenstaanden (75+) neemt sterk toe.

Niet alleen naar leeftijd, ook naar huishoudens ondergaat de samenstelling van de Brabantse bevolking de komende tijd de nodige veranderingen. Veranderingen die bovendien sterk met elkaar samenhangen. Het aantal huishoudens zal naar verwachting nog met ruim 185.000 toenemen, tot bijna 1.350.000 in 2050. Dat is een groei van 16%. (tabel 8.1). Vergeleken met de vorige prognose uit 20171 ligt het aantal huishoudens in 2050 zo’n 90.000 hoger.

Tabel 8.1

Huishoudensgroei in Noord-Brabant, 2020-2050

huishoudens huishoudensgroei huishoudens
  2020* 2020-2030 2030-2040 2040-2050 2020-2050 2050
Noord-Brabant 1.160.700 101.400 54.200 31.100 186.700 1.347.400
Stedelijke concentratiegebieden 835.600 84.400 54.300 40.100 178.900 1.014.400
- waarvan grote steden (B5) 435.000 52.500 38.900 32.300 123.800 558.800
- waarvan middelgrote steden (M7) 206.200 18.400 9.700 6.000 34.100 240.300
- waarvan overig stedelijk concentratiegebied 194.400 13.500 5.600 1.900 21.000 215.400
Landelijke gebieden 325.100 17.000 -100 -9.000 7.800 332.900
West-Brabant 319.800 21.100 8.200 2.600 31.900 351.700
Midden-Brabant 191.700 19.200 12.300 9.000 40.500 232.100
Noordoost-Brabant 290.800 26.400 12.900 5.100 44.400 335.300
Zuidoost-Brabant 358.400 34.800 20.800 14.300 69.900 428.300
groei-indices
    2020-2030
(2020 = 100)
2030-2040
(2030 = 100)
2040-2050
(2040 = 100)
2020-2050
(2020 = 100)
 
Noord-Brabant   108,7 104,3 102,4 116,1  
Stedelijke concentratiegebieden   110,1 105,9 104,1 121,4  
- waarvan grote steden (B5)   112,1 108,0 106,1 128,4  
- waarvan middelgrote steden (M7)   108,9 104,3 102,6 116,5  
- waarvan overig stedelijk concentratiegebied   106,9 102,7 100,9 110,8  
Landelijke gebieden   105,2 100,0 97,4 102,4  
West-Brabant   106,6 102,4 100,8 110,0  
Midden-Brabant   110,0 105,8 104,0 121,1  
Noordoost-Brabant   109,1 104,1 101,6 115,3  
Zuidoost-Brabant   109,7 105,3 103,5 119,5  
De in de tabel opgenomen gegevens zijn afgerond op 100-tallen; hierdoor kunnen er in de tabel geringe afwijkingen voorkomen.
* Voor de stand per 1-1-2020 is uitgegaan van het geprognotiseerde aantal huishoudens.

Zie ook: toelichting op de gebruikte gebiedsindeling

Sterke groei aantal eenpersoonshuishoudens

Groeit het aantal huishoudens in Noord-Brabant tussen 2020 en 2050 nog met 16%, de bevolking groeit in diezelfde periode met slechts 11%. Deze relatief sterkere toename van het aantal huishoudens hangt samen met de vergrijzing en de individualisering. Hierdoor groeit vooral het aantal eenpersoonshuishoudens sterk (figuur 8.1). Tot 2050 komen er bijna 160.000 eenpersoonshuishoudens bij, waarmee de totale huishoudensgroei (van ruim 185.000) vrijwel volledig kan worden verklaard. Het aantal alleenstaanden groeit hiermee met bijna 40%. In 2050 bestaat bijna 43% van alle huishoudens in onze provincie uit een eenpersoonshuishouden. In 2000 lag dat percentage nog op 28% (figuur 8.2). Tegenover de groei van het aantal alleenstaanden staat een vrijwel gelijkblijvend aantal (al dan niet gehuwde) paren. Toch blijft het aantal samenwonenden in Brabant wel verreweg de grootste huishoudenscategorie. In 2050 valt nog altijd 50% van de huishoudens onder deze categorie (was 66% in 2000).

Figuur 8.1

Huishoudens naar type

Noord-Brabant, 2000-2050

 
Figuur 8.2

Bevolkingssamenstelling naar huishoudenstype

Noord-Brabant, 2000-2050

Stedelijke en landelijke gebieden

Tussen de stedelijke en landelijke gebieden bestaan duidelijke verschillen in huishoudenssamenstelling (figuur 8.3a t/m 8.3c). Zo ligt het percentage eenpersoonshuishoudens in de stedelijke gebieden – en dan met name in de grote steden (de B5)2 – beduidend hoger, terwijl we in de landelijke gebieden en in het overig stedelijk concentratiegebied – zeg maar de randgemeenten rond de steden – verhoudingsgewijs juist meer samenwonenden aantreffen. Zo is in 2020 zo’n 44% van de huishoudens in de grote steden een eenpersoonshuishoudens, terwijl dit percentage in de landelijke regio’s en de genoemde randgemeenten op ‘slechts’ 30% ligt, 14 procentpunten lager dus. In de middelgrote steden (de M7)3 is 33% van de huishoudens een alleenstaande.
Daarentegen vormen de samenwonenden in de landelijke en de meer kleinstedelijk gebieden bijna tweederde van het aantal huishoudens, maar behoort in de grote steden minder dan de helft van de huishoudens tot deze groep.
De komende tijd zien we zowel in de stedelijke als in de landelijke gebieden het percentage eenpersoonshuishoudens duidelijk toenemen en het percentage samenwonenden juist (verder) afnemen; vergrijzing en individualisering spelen immers overal. Wat de processen van huishoudensvorming betreft, zullen de onderlinge verschillen en verhoudingen tussen de onderscheiden gebiedstypen in grote lijnen echter niet veel veranderen.

Figuur 8.3a, 8.3b en 8.3c

Huishoudensontwikkeling naar type

2000-2050

Huishoudens naar leeftijd

Verdelen we de huishoudens naar leeftijd (van het hoofd van het huishouden), dan zien we dat vooral bij de jongvolwassenen en de ouderen verhoudingsgewijs veel eenpersoonshuishoudens zijn te vinden (figuur 8.4a). Jongeren die uit huis gaan, wonen eerst een tijdje alleen, al blijven ze de laatste tijd wel weer wat langer thuis wonen4. En ook op hogere leeftijd zien we de percentages eenpersoonshuishoudens (sterk) toenemen; ouderen blijven, na verlies van hun partner, als alleenstaande achter. Vanwege hun hogere levensverwachting geldt dit laatste vooral voor vrouwen.

De komende tijd wordt vooral bij de middelbare leeftijden een duidelijke groei verwacht van het percentage alleenstaanden. Uitstel van (langdurige) relatievorming en een verdere flexibilisering in relaties5 (naast de flexibilisering op de arbeidsmarkt) spelen hierbij een rol en de tijd dat men – al dan niet tussen twee relaties in – alleen woont neemt toe. Omgekeerd heeft deze groei van het aantal alleenstaanden z’n tegenhanger in de afname van het aantal samenwonenden bij deze leeftijdsgroepen (figuur 8.4b).

Figuur 8.4a en 8.4b

Huishoudensverdeling naar leeftijd

2000-2050

Figuur 8.4a
Figuur 8.4b

Vooral toename alleenstaande ouderen

De verwachte groei van het aantal eenpersoonshuishoudens (+160.000) komt vrijwel volledig voor rekening van de ouderen (figuur 8.5). Door de vergrijzing neemt ook het aantal oudere alleenstaanden (65+) sterk toe. Tot 2050 komen er in Brabant naar verwachting ongeveer 130.000 oudere alleenstaanden bij, bijna een verdubbeling ten opzichte van 2020 (+86%). Deze groei komt vrijwel volledig op het conto van het sterk toenemende aantal alleenstaande 75-plussers. In omvang groeit deze groep van ca. 85.000 in 2020 naar 200.000 in 2050 (+ 115.000, oftewel een groei van 134%). Naar verwachting is van alle eenpersoonshuishoudens in 2050 meer dan een op de drie (35%) 75 jaar of ouder (20,5% in 2020). Een kwart (25%) is dan zelfs 80 jaar of ouder, waar dat nu nog ongeveer een op de acht is (13,5%).

Figuur 8.5

Eenpersoonshuishoudens naar leeftijd

Noord-Brabant, 2000-2050


 

Eenouderhuishoudens, overige huishoudens en de tehuisbevolking

Wat het aantal eenouderhuishoudens en het aantal overige huishoudens betreft, worden de komende tijd – in absolute zin – maar beperkte veranderingen verwacht (figuur 8.1). Het aantal eenouderhuishoudens groeit nog licht, van zo’n 77.000 in 2020 tot bijna 100.000 in 2050 (+27,5%). Het aantal overige huishoudens neemt gedurende de prognoseperiode eveneens licht toe, al blijven de aantallen – 9.500 in 2050 – beperkt. Tot deze zogenoemde ‘overige’ huishoudens behoren personen die geen partnerrelatie of ouder-kindrelatie hebben, maar wel een gezamenlijk huishouden voeren. Voorbeelden hiervan zijn studenten die gezamenlijk een huishouden vormen of twee broers of zussen die samen in een huis wonen.

Ten slotte zijn er personen die wonen of verblijven in instellingen en tehuizen. Deze personen vormen geen zelfstandig huishouden en zijn daarom ook buiten de berekening van de woningbehoefte gehouden. In Noord-Brabant is de instellings- en tehuisbevolking de afgelopen jaren steeds iets teruggelopen. Momenteel omvat deze groep ca. 35.000 mensen. In lijn met landelijke (CBS-)veronderstellingen is er in de prognose van uitgegaan, dat de instellings- en tehuisbevolking de komende decennia, onder invloed van de sterke vergrijzing, geleidelijk aan weer zal toenemen, tot zo’n 60.000 personen in 20506. Ondanks deze absolute toename van het aantal mensen in een ‘institutioneel huishouden’ daalt, vooral bij de oudere leeftijdsgroepen, het percentage personen in instellingen en tehuizen. Deze daling hangt samen met de al langer aanhoudende trend om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, samen of alleen. Hierbij speelt ook de stijgende levensverwachting een rol, waardoor paren tot op hoge leeftijd blijven samenwonen.

Huishoudens worden steeds kleiner

Doordat vooral het aantal eenpersoonshuishoudens sterk groeit, neemt het gemiddeld aantal personen per huishouden de komende decennia verder af. Telt een Brabants huishouden in 2000 nog iets meer dan 2,4 personen, in 2050 is de gemiddelde huishoudensgrootte7 naar verwachting teruggelopen tot 2,07. In de stedelijke gebieden loopt de huishoudensgrootte terug van 2,33 in 2000 naar 2,03 in 2050, waarbij de grote steden (B5) uitkomen op een grootte ruim onder de 2 in 2050 (1,93). In het landelijk gebied liggen deze cijfers op 2,62 in 2000 en op 2,18 halverwege deze eeuw (figuur 8.6).

Figuur 8.6

Gemiddelde huishoudensgroote

Noord-Brabant, 2000-2050

 
 
  • 1. <em>De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant - actualisering 2017.</em> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, mei 2017.
  • 2. De vijf grote steden (B5) zijn: Breda, Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg.
  • 3. De zeven middelgrote steden (M7) zijn: Bergen op Zoom, Meierijstad, Oosterhout, Oss, Roosendaal, Uden, Waalwijk.
  • 4. - <em>Studerende én werkende jongeren gaan later uit huis.</em> CBS.nl/nieuws, 5 februari 2019.<br> - Coen van Duijn e.a. (2018). <em>Huishoudensprognose 2018-2060: opmars eenpersoonshuishoudens zet door.</em> CBS, Statistische Trends, december 2018.
  • 5. Jan Latten (2017). <em>Tweede Demografische Transitie nog lang niet uitgetrild.</em> In: Rooilijn, jaargang 50, nr. 5-6, 2017, blz. 340-349.
  • 6. De belangrijkste veronderstelling omtrent de ontwikkeling van de bevolking in instellingen en tehuizen is, dat er grenzen zijn aan de afname van het aantal plaatsen in specifieke instellingen, zoals verpleeghuizen, tehuizen voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten en psychiatrische inrichtingen. Er wordt dus van uitgegaan dat er een zekere ‘minimumcapaciteit’ in zorginstellingen nodig blijft, die bovendien – met het oog op de verdere vergrijzing van de bevolking – de komende tijd geleidelijk aan weer zal moeten worden uitgebreid. Ondanks deze absolute toename van de capaciteit in instellingen en tehuizen zal van de sterk groeiende groep ouderen een steeds kleiner deel woonachtig zijn in een zorginstelling. Ouderen wonen steeds langer (zelfstandig) thuis. Omdat de komende decennia, samenhangend met de ‘dubbele vergrijzing’ en de sterke groei van het aantal hoogbejaarden, de vraag naar intensieve (verpleeghuis)zorg sterk zal toenemen, zal de beschikbare capaciteit steeds meer ingezet worden voor mensen die sterk hulpbehoevend zijn. Lichtere vormen van zorg zullen meer en meer in de woning of in de (directe) woonomgeving geboden worden.
  • 7. Bij de berekening van de gemiddelde huishoudensgrootte is de bevolking in instellingen en tehuizen buiten beschouwing gelaten.